Propaganda - Wanneer de beschuldiging het bewijs vervangt
De gevaarlijkste propagandistische innovatie van de eenentwintigste eeuw is niet de leugen, maar de morele omkering. De beschuldiging heeft het bewijs vervangen.
De gevaarlijkste propaganda bestaat niet uit leugens. Zij bestaat uit zorgvuldig geselecteerde waarheden. Wie vandaag aan propaganda denkt, ziet nog steeds de affiches van de Sovjet-Unie, de massabijeenkomsten van de nazi’s of de luidsprekers van Noord-Korea voor zich. Dat beeld is geruststellend. Het suggereert dat propaganda altijd herkenbaar is, altijd afkomstig is van een autoritaire staat en altijd het probleem van iemand anders vormt. Maar juist daarin schuilt onze grootste vergissing.
De propaganda van de eenentwintigste eeuw draagt geen uniform meer. Zij sluit geen kranten, neemt geen radiozenders over en verbrandt geen boeken. Zij verschijnt als journalistiek, als academisch onderzoek, als mensenrechtenactivisme en als morele verontwaardiging. Zij vraagt ons niet onze waarden op te geven. Integendeel. Zij gebruikt juist onze diepste overtuigingen – rechtvaardigheid, mededogen en mensenrechten – om ons een zorgvuldig geconstrueerde werkelijkheid voor te houden.
Daarom is moderne propaganda gevaarlijker dan haar totalitaire voorgangers. Niet omdat zij méér liegt, maar omdat zij minder hoeft te liegen. Zij bepaalt welke beelden wij zien, welke slachtoffers een gezicht krijgen, welke woorden worden gebruikt en – minstens zo belangrijk – welke feiten buiten beeld blijven. De werkelijkheid wordt niet vervalst maar gemonteerd. Dat is de grote propagandarevolutie van onze tijd. De route die veel van onze kranten en de redacties bij de publieke omroep volgen.
George Orwell waarschuwde voor een staat die de waarheid zou onderdrukken. Aldous Huxley voorzag een samenleving waarin de waarheid zou verdrinken in amusement en afleiding. Neil Postman zag vervolgens hoe media de grens tussen informatie en entertainment langzaam zouden uitwissen. Misschien hadden zij alle drie gelijk. Want nooit eerder beschikte de mens over zoveel informatie, terwijl hij tegelijk zo onzeker werd over wat waar is. Niet omdat kennis ontbreekt, maar omdat aandacht de schaarste van onze tijd is geworden. Wie de aandacht beheerst, beheerst uiteindelijk ook het morele oordeel.
Dat mechanisme is nergens duidelijker zichtbaar dan in het internationale debat over Israël sinds de Hamas-aanval van 7 oktober 2023. Binnen enkele dagen verschoof het wereldwijde debat van de grootste massamoord op Joden sinds Auschwitz naar de beschuldiging dat juist Israël zich schuldig zou maken aan genocide. Nog voordat de omvang van de moordpartij volledig duidelijk was geworden, verschenen de eerste verklaringen waarin Israël de hoofdverdachte werd en Hamas vrijwel geheel uit beeld verdween. De slachtoffers werden verdachten. De daders verdwenen naar de achtergrond.
Wie deze ontwikkeling uitsluitend verklaart uit sociale media of politieke polarisatie, ziet slechts de oppervlakte. Achter dit narratief gaat een intellectuele geschiedenis schuil die tientallen jaren ouder is dan de oorlog in Gaza. Die geschiedenis begint niet in het Midden-Oosten maar in Rwanda.
In 1993 beschuldigden Hutu-intellectuelen het met de Tutsi’s verbonden Rwandese Patriottische Front van genocide. Open brieven met - net als nu - sterk overdreven slachtoffercijfers vonden hun weg naar buitenlandse regeringen, kerkleiders en internationale organisaties. Een jaar later pleegde hetzelfde Hutu-regime zelf genocide op de Tutsi’s. Na afloop van de genocide wees Alison Des Forges van Human Rights Watch erop dat juist deze omkering van het genocide-begrip een van de belangrijkste propagandamiddelen was geweest waarmee de massamoord was voorbereid. De Tutsi’s werden niet voorgesteld als slachtoffers maar als toekomstige daders. Niet als bedreigden maar als bedreiging. De genocide moest, zo luidde de propaganda, niet worden gepleegd maar juist worden voorkomen.
Daarmee werd een mechanisme zichtbaar dat sindsdien telkens opnieuw terugkeert. Voordat een bevolkingsgroep wordt aangevallen, wordt zij eerst moreel gedelegitimeerd, ontmenselijkt en daarna beschuldigd. Voordat geweld tegen haar wordt gelegitimeerd, wordt zij voorgesteld als de werkelijke agressor. De beschuldiging wordt het wapen.
De overeenkomst met het huidige debat is niet dat Rwanda en Israël historisch vergelijkbaar zouden zijn. Dat zijn zij niet. De geschiedenis laat zich niet kopiëren en iedere tragedie kent haar eigen context, haar eigen daders en haar eigen slachtoffers. De overeenkomst ligt in het mechanisme waarmee een samenleving leert wie zij mag haten.
In Rwanda werden de Tutsi’s afgeschilderd als buitenlandse indringers die geen recht hadden op het land waarin zij generaties lang hadden geleefd. De koloniale Hamitische hypothese leverde daarvoor een schijnbaar wetenschappelijke rechtvaardiging. Volgens die theorie waren de Tutsi’s geen echte Afrikanen, maar afstammelingen van vreemde overheersers die zich de macht hadden toegeëigend. Tijdens de genocide werden slachtoffers de Nyabarongo-rivier ingejaagd om hen zogenaamd “terug naar de Nijl” te sturen. Geweld werd toen, net als nu, gelegitimeerd door een historisch verhaal. Dat is misschien wel de belangrijkste les van Rwanda.
Genocides beginnen niet met wapens. Zij beginnen met woorden, definities en theorieën. Met de morele delegitimatie van een bevolkingsgroep; daarna pas volgt het geweld. Juist daarom verdient de manier waarop tegenwoordig over Israël en Joden wordt gesproken meer aandacht dan zij krijgt.
Sinds de jaren negentig heeft zich binnen delen van de academische wereld een interpretatiekader ontwikkeld waarin Israël niet langer wordt gezien als een gewone natiestaat, maar als een ‘settler colonial state’: een koloniale vestigingsmaatschappij zonder historische legitimiteit. Dat uitgangspunt verandert alles. Wanneer Israël per definitie een koloniale staat is, wordt iedere militaire operatie automatisch gelezen als koloniale onderdrukking. Zelfverdediging wordt bezetting. Veiligheidsmaatregelen worden apartheid. En oorlog tegen een terroristische organisatie verandert uiteindelijk in genocide. De conclusie volgt dan niet meer uit de feiten. De feiten volgen uit de conclusie.
Dat denkkader is niet uitsluitend ontstaan in politieke bewegingen. Het werd gedurende tientallen jaren uitgewerkt binnen delen van de academische wereld. Rond het ‘Journal of Genocide Research’ ontstond een invloedrijke stroming die pleit voor een ruimere interpretatie van het begrip genocide dan Raphael Lemkin, de grondlegger van het Genocideverdrag van 1948 en holocaustoverlever, ooit voor ogen had. Lemkin koos zijn woorden met uiterste precisie. Voor hem draaide genocide om één centraal element: de aantoonbare intentie een nationale, etnische, raciale of religieuze groep geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Juist die intentie onderscheidt genocide van oorlog, hoe gruwelijk oorlog ook kan zijn. Binnen het nieuwe academische paradigma vervaagt dat onderscheid.
Wanneer een staat als wezenlijk koloniaal wordt beschouwd, wordt vrijwel ieder gebruik van militair geweld geïnterpreteerd als een uiting van hetzelfde onderdrukkingssysteem. Daarmee verschuift genocide van een uitzonderlijke juridische categorie naar een politiek oordeel over de aard van een samenleving. Dat is een fundamentele verandering. Niet alleen van het begrip genocide. Maar van ons hele morele vocabulaire. Want woorden zijn nooit slechts woorden. Zij bepalen hoe wij de werkelijkheid begrijpen. Wie het vocabulaire beheerst, beheerst uiteindelijk ook het oordeel.
Daarom is het geen toeval dat juist begrippen als ‘kolonialisme’, ‘apartheid’, ‘racisme’ en ‘genocide tegenwoordig zo’n uitzonderlijke politieke kracht bezitten. Ooit waren het nauwkeurig omschreven historische en juridische begrippen. Vandaag functioneren zij als morele eindstations. Zodra zij eenmaal zijn uitgesproken, is verdere argumentatie nauwelijks nog nodig. Dat is precies de kracht van moderne propaganda. Zij overtuigt niet door nieuwe feiten te produceren maar verandert de betekenis van bestaande feiten. Geen journalist hoeft daarvoor bewust te liegen. Geen universiteit hoeft haar wetenschappelijke integriteit op te geven. Geen mensenrechtenorganisatie hoeft haar idealen te verloochenen. Het volstaat dat zij dezelfde morele bril opzetten. Vanaf dat moment lijkt iedere nieuwe gebeurtenis slechts opnieuw te bevestigen wat men al dacht te weten. Zo verandert een narratief langzaam in werkelijkheid. En precies daarin schuilt de grootste propagandistische innovatie van onze tijd.
Het is te gemakkelijk deze ontwikkeling uitsluitend toe te schrijven aan sociale media. Het internet heeft de propaganda niet uitgevonden. Het heeft haar slechts een ongekende snelheid en reikwijdte gegeven. De klassieke propagandist wilde mensen vertellen wat zij moesten denken. De moderne propagandist beïnvloedt vooral waarmee zij denken. Dat verschil is cruciaal.
Gedurende tientallen jaren hebben staten als de Sovjet-Unie, later Iran en vervolgens ook Qatar, kapitalen geïnvesteerd in de vorming van een moreel vocabulaire dat diep is doorgedrongen in universiteiten, ngo’s, internationale organisaties en de journalistiek. Niet door kant-en-klare conclusies aan te bieden, maar door een begrippenkader te leveren waarmee de werkelijkheid vervolgens bijna vanzelf wordt geïnterpreteerd. Wie eenmaal door die bril kijkt, hoeft nauwelijks nog overtuigd te worden. De conclusies volgen vanzelf. Dat verklaart waarom zoveel intelligente mensen oprecht geloven dat zij uitsluitend de feiten volgen. Dat doen zij ook maar uitsluitend de feiten die binnen het gekozen narratief betekenis krijgen. De overige verdwijnen geruisloos uit beeld. De ideologie van Hamas verdwijnt. De rol van Iran verdwijnt. De expliciete oproepen tot vernietiging van Israël verdwijnen. De duizenden raketten die jarenlang op Israëlische steden werden afgevuurd verdwijnen. Niet omdat iemand deze feiten verbiedt maar omdat zij eenvoudigweg geen plaats meer krijgen binnen het dominante verhaal. Dat is moderne propaganda. Niet de vernietiging van de waarheid maar haar zorgvuldige redactie.
Daarin schuilt ook de verklaring waarom de beschuldiging van genocide tegenwoordig zo’n buitengewone politieke kracht bezit. Sinds de Holocaust geldt genocide als het absolute morele dieptepunt van de menselijke beschaving. Geen enkele andere misdaad roept vergelijkbare afschuw op. Wie erin slaagt zijn tegenstander met dat begrip te identificeren, hoeft diens handelen nauwelijks nog te analyseren. De morele veroordeling is immers al uitgesproken.
Juist daarom formuleerde Raphael Lemkin het Genocideverdrag met zoveel juridische precisie. Hij wist dat een begrip alleen gezag behoudt zolang het uitzonderlijk blijft. Niet iedere oorlog is genocide. Niet ieder bloedbad is genocide. Niet iedere oorlogsmisdaad is genocide. Dat onderscheid beschermt niet de daders. Het beschermt de waarheid en daarmee de slachtoffers.
Wanneer iedere grootschalige militaire operatie als genocide wordt aangeduid, vervaagt uiteindelijk het onderscheid tussen Auschwitz, Rwanda, Srebrenica en iedere andere gewapende confrontatie. Dan verliest het zwaarste begrip uit het internationale recht zijn bijzondere betekenis en wordt het een politiek scheldwoord waarmee uiteindelijk niemand wordt geholpen. Ook de slachtoffers van echte genocides niet.
Dat verklaart ook waarom de aanval van Hamas op 7 oktober zo opmerkelijk snel uit het internationale bewustzijn verdween. Vrijwel onmiddellijk verschoof de aandacht van de intentie van Hamas naar de reactie van Israël. Dat is op zichzelf al opmerkelijk. De rechtsgeleerde Avraham Russell Shalev heeft betoogd dat juist de aanval van Hamas veel dichter bij de juridische definitie van genocide ligt dan doorgaans wordt erkend. Niet vanwege de omvang van de aanval, maar vanwege de expliciete bedoeling een beschermde bevolkingsgroep - de Joden - als zodanig te vernietigen. Dat die opzet uiteindelijk mislukte doordat het Israëlische leger de aanval wist te stoppen, verandert volgens hem niets aan de juridische intentie.
Die analyse kreeg nauwelijks aandacht. Dat is veelzeggend. Niet omdat zij noodzakelijkerwijs het laatste woord heeft maar omdat zij nauwelijks onderdeel werd van het publieke gesprek. Narratieven bepalen immers niet alleen de antwoorden. Zij bepalen vooral welke vragen nog gesteld mogen worden.
Daarmee keren wij terug naar Rwanda. Ook daar begon de tragedie niet met de eerste moord. Zij begon met een verhaal. Met een bevolking die werd voorgesteld als een vreemde indringer. Met intellectuelen die de morele rechtvaardiging leverden. Met media die de boodschap verspreidden. Met een samenleving die langzaam gewend raakte aan woorden die enkele jaren eerder nog ondenkbaar zouden zijn geweest. Dat is de constante in de geschiedenis. Niet de gebeurtenissen maar de mechanismen.
De geschiedenis herhaalt zich zelden letterlijk; mechanismen echter veranderen opmerkelijk weinig. Steeds opnieuw begint de weg naar collectief geweld met dezelfde opeenvolging van gebeurtenissen. Eerst wordt een bevolkingsgroep gedelegitimeerd. Vervolgens wordt haar geschiedenis herschreven (Jezus was een Palestijn). Daarna wordt haar bestaan voorgesteld als een permanente bedreiging. Tenslotte wordt geweld tegen die groep niet langer gezien als agressie, maar als een vorm van noodzakelijke zelfverdediging.
De dader presenteert zich als slachtoffer, zoals moslims zich sinds 7 oktober voortdurend als slachtoffer presenteren. Dat is misschien wel de oudste propagandatechniek uit de geschiedenis. En juist daarom verdient de huidige informatieoorlog meer aandacht dan zij krijgt. Het werkelijke gevaar schuilt niet in één verkeerd artikel, één misleidende tweet of één eenzijdige televisie-uitzending. Het gevaar ontstaat wanneer duizenden journalisten, wetenschappers, activisten, politici en opiniemakers – ieder vanuit hun eigen overtuiging – langzaam hetzelfde verhaal gaan vertellen doordat zij hetzelfde begrippenkader zijn gaan gebruiken.
Propaganda is zelden een complot. Veel vaker is zij een cultuur. Een gedeelde manier van kijken. Dat maakt haar ook zo moeilijk te bestrijden. Feiten alleen zijn onvoldoende. Een feit kan immers pas overtuigen wanneer het nog past binnen het verhaal dat mensen over de werkelijkheid vertellen. Daarom verliezen correcties zo vaak van emoties. Daarom winnen beelden het van analyses. Daarom verdringt een foto van een huilend kind moeiteloos een juridisch rapport van tweehonderd pagina’s. Niet omdat mensen irrationeel zijn maar omdat mensen verhalen begrijpen; geen statistieken, geen juridische definities, geen voetnoten. Dat maakt propaganda uiteindelijk zo krachtig. Zij levert geen informatie. Zij levert betekenis. En betekenis is altijd sterker dan een verzameling losse feiten. Misschien is dat wel de grootste les van het digitale tijdperk. Wij leven niet langer in een economie van informatie. Wij leven in een economie van aandacht. En aandacht wordt niet gewonnen door de meest zorgvuldige analyse. Aandacht wordt gewonnen door het meest overtuigende verhaal. Daarom is de vrijheid van meningsuiting alleen niet voldoende om een vrije samenleving te beschermen.
Vrijheid zonder onderscheidingsvermogen is kwetsbaar. Een democratie kan beschikken over duizenden onafhankelijke media, honderden universiteiten en ontelbare maatschappelijke organisaties en toch langzaam haar vermogen verliezen werkelijkheid van narratief te onderscheiden. Niet doordat iemand haar het zwijgen oplegt maar doordat zij dezelfde woorden steeds opnieuw hoort. Tot zij vanzelfsprekend lijken. Dat is de werkelijke macht van propaganda. Niet mensen dwingen iets te geloven maar dat zij ervoor zorgt dat alternatieve interpretaties steeds minder voorstelbaar worden.
Samenlevingen bezwijken vaker doordat zij hun eigen beoordelingsvermogen verliezen dan doordat hun vijanden sterker zijn. Dat was de les van de totalitaire ideologieën van de twintigste eeuw. En dat dreigt opnieuw de les van de eenentwintigste eeuw te worden. Niet omdat wij opnieuw in een wereld van staatspropaganda leven. Maar omdat propaganda zich heeft aangepast aan de open samenleving. Zij heeft geleerd dat vrije burgers haar veel geloofwaardiger kunnen verspreiden dan welke overheid ook. Daarmee komen wij terug bij de vraag waarmee dit verhaal begon. De gevaarlijkste propaganda bestaat niet uit leugens. Leugens zijn uiteindelijk herkenbaar. De gevaarlijkste propaganda bestaat uit zorgvuldig geselecteerde waarheden die zó worden gerangschikt dat zij nog maar één conclusie lijken toe te laten.
Dat is precies waarom de beschuldiging van genocide tegenwoordig zo’n krachtig politiek instrument is geworden. Niet omdat iedere beschuldiging onwaar zou zijn. Maar omdat de beschuldiging zelf steeds vaker de plaats van het bewijs inneemt. Zodra dat gebeurt, houdt het debat op. Dan volgt het oordeel niet langer uit de feiten. De feiten worden geselecteerd op grond van het oordeel. Daarmee is de cirkel rond. De grootste overwinning van propaganda is immers niet dat mensen haar geloven. Het is dat de mensen ophouden haar nog als propaganda te herkennen.
Dat is de uitdaging waarvoor de vrije democratie vandaag staat. Niet de strijd tussen links en rechts. Niet de strijd tussen Israël en Hamas. Zelfs niet de strijd tussen waarheid en leugen. De beslissende strijd van onze tijd gaat over iets fundamentelers. Of vrije mensen nog in staat zijn onderscheid te maken tussen analyse en activisme. Tussen mededogen en manipulatie. Tussen recht en retoriek. Tussen geschiedenis en ideologie. Want een beschaving gaat niet ten onder wanneer zij de waarheid verliest. Zij gaat ten onder wanneer zij niet langer merkt dat zij haar verloren heeft.



@ Oscar Hammerstein
In de Stentor stond dit artikel in het regiokatern.
Demonstranten protesteren al een jaar elke week tegen geweld in Gaza bij station Zutphen
https://www.destentor.nl/zutphen/demonstranten-protesteren-al-een-jaar-elke-week-tegen-geweld-in-gaza-bij-station-zutphen~a0ea93c4/
Ik heb op Enkeltje Zutphen op FB waar dit artikeltje werd gepost, een deel van jou betoog gedeeld.
Om duidelijk te maken dat deze mensen het onderscheid niet meer kunnen maken.
Maar wat ik veel erger vind is dat de NS dit toestaat op haar eigen terrein, weigert te handhaven. Zo is het Semi- staatsbedrijf NS mede schuldig aan het ruimte geven aan deze vorm van Propaganda.
Helemaal juist. Mensen gaan
helemaal mee in de gangbare narratieve en denken niet voor zichzelf. Daar zal de mensheid nog wel eens aan ten onder kunnen gaan.Het niet meer zelfstandig kunnen denken!